terug naar index
Gentse spelen van 1539

(20.04.1539 - 09.07.1539) 

Geruchtmakend rederijkerstornooi, ingericht door het Gentse stadbestuur in een religieus en politiek erg woelige tijd, terwijl de Reformatie opgang maakte en de moeilijkheden tussen de stad Gent en keizer Karel opliepen.
De Stad had alle rederijkerskamers uit Vlaanderen, Henegouwen, Artesië, Brabant, Holland en Zeeland uitgenodigd voor deelname aan een tornooi dat werd ingericht om de vrede met Frankrijk (door het verdrag van Nice, 1538) te vieren, de negotie en broodwinning (‘die aldaer zeer cleene es’) aan te zwengelen, en de bewoners uit de hele Nederlanden op te wekken tot vreugde en tot beoefening van de rederijkerskunst.
Uiteindelijk gingen 19 kamers in op de uitnodiging. Uit verschillende gemeenten waren de deelnemers vergezeld van aanzienlijke – en meestal rijkelijk uitgedoste – delegaties, stadsbestuurders, “ghedeputeerde mannen ende lieden van eere”, hoogwaardigheidsbekleders, kooplieden, schuttersgilden enzovoort. De kamers wilden aan hun uitstap naar Gent niet enkel een cultureel en feestelijk karakter geven, in deze voor Gent zo dreigende dagen wensten ze ook de politieke samenhorigheid van het graafschap Vlaanderen tot uiting te brengen. Zo deed Brugge naar eigen zeggen zijn best “ter contemplacie van die van Ghendt… ende omme goet ghebuerscip ende vriendtscepe met hemlieden t’houdene ende onderhoudeneen Oudenaarde kwam “in grooten ghetale ende menichte… omme de stede van Ghendt als hoiftstadt vanden Lande van Vlaenderen te eerne”. 

De feesten zelf 

De stad had de praktische organisatie toevertrouwd aan de ervaren rederijkerskamer De Fonteine.
Het eigenlijke toneelconcours (van 12 tot 23 juni 1539) werd voorafgegaan en gevolgd door tal van andere literaire en aanverwante manifestaties. Zo was er op zondag 20 april al een prelude, een refreinwedstrijd tussen de deelnemende kamers. Vanaf begin juni hadden allerhande schitterende inkomsten, welkomstfeesten en tornooien plaats. Schuttersgilden uit verschillende steden waren van de partij; er was een zangcrochet en een narrenwedstrijd.  

Zoals gebruikelijk toen, moesten de deelnemers aan het eigenlijke theaterfestival een ernstig spel van zinne met een opgelegd thema opvoeren. Het thema was de vraag, wat de mens op zijn sterfbed het meest tot troost strekt. Tussendoor werden er ook “batementen in ’t sotte” opgevoerd en ook hiermee waren er belangrijke prijzen te winnen. 

Het tornooi zelf had plaats in de Hoogpoort ter hoogte van het stadhuis en het Sint-Jorishof. Het toneel stond opgesteld tegen de huizenwand van het Schotelvat (nu Botermarkt; de huizenwand werd ca. 1900 afgebroken voor het trekken van de Belfortstraat). De monumentale scène bestond uit een renaissancegevel met twee verdiepingen, geflankeerd door twee portalen. Het middenstuk had een halfcirkelvormige uitbouw. Het pronkstuk was door schilder-beeldhouwer François van de Velde versierd met kunstige beelden en schilderijen. De eveneens van schilderijen voorziene tribune stond aan de overkant; ze was bestemd voor de jury, de stadsmagistraat en de hoge genodigden.
Men bereikte het feestgebeuren langs drie opgetimmerde poorten: één aan de Zandberg, één aan het Schotelvat in de richting van het belfort en één aan de Vismarkt (nu Groentenmarkt) bij het begin van de Hoogpoort. Het parcours waarlangs de opgetuigde deelnemers de stad binnenkwamen was met triomfbogen en stellages versierd. ’s Avonds baadde de binnenstad in een feeërieke feestverlichting.  

Uiteindelijk werden de Violieren van Antwerpen laureaat, gevolgd door Sint-Winoksbergen, Tielt, Lo, Brussel en Kortrijk.  

Prijzige feesten 

Zelden in de geschiedenis van Gent is naar een literair evenement zoveel geld gegaan als naar dit toneelfeest van 1539. Alleen al aan prijzen (zuiver zilveren kannen, bekers en schalen in verschillende gewichten) werd een fortuin uitgegeven. Daarnaast werden allerhande zilveren trofeeën uitgedeeld aan de groepen die van het verst kwamen, die de mooiste intrede deden, de meest solemnele kerkgang verzorgden enzovoort.
Maar ook wat door de verschillende deelnemende steden werd uitgegeven, tart de verbeelding: ruim 2280 gulden te Oudenaarde, de helft daarvan te Ieper, ruim 962 gulden te Kortrijk, 532 gulden te Deinze, 469 gulden te Tielt, zelfs 100 gulden voor een klein stadje als Lo (maar die laatsten wonnen dan ook de derde en de vierde prijs).  

Ook weerstand 

Deze Gentse spelen dankten hun bekendheid vooral aan de vrijmoedige uiteenzettingen over zaken van geloof en kerk en aan de associatie met de Gentse opstand tegen keizer Karel.
Het Gentse initiatief genoot niet alleen bijval; het stuitte blijkbaar ook op tegenkanting. Daarop zinspeelde onder meer het zotte refrein van Menen.
Stak de spektakelwaarde velen de ogen uit, dan lieten de deelnemers nogal wat onvrede met de toestand in de roomse godsdienstigheid blijken. Ze stelden die tegenover het authentieke geloof van de vaderen en de eis van persoonlijke overgave aan Christus op grond van het evangelie. Nergens evenwel werd een breuk met de kerk bepleit. Dat zou overigens gelijk hebben gestaan met vragen om repressie. Men kwam trouwens niet samen voor harde confrontatie, maar vooral om feest te vieren.
Volgens een anonieme kroniekschrijver bracht het jaar 1539 voor Vlaanderens hoofdstad “groote ghenoechte van rethoricque voor ’t stadthuys”, maar tegelijk ook “groote droefheyt”, omwille van de opstand tegen keizer Karel die op hetzelfde ogenblik tot een hoogtepunt kwam. Het stedelijke zelfbewustzijn en het samenhorigheidsgevoel in het graafschap Vlaanderen die sommige deelnemers manifest hadden laten blijken zinden de regering in Brussel beslist niet. Advocaat-fiscaal Pierre du Breul schreef aan de Karel V dat de spelen aan het begin hadden gestaan van de troebelen: de Gentenaren immers vonden geld in overvloed voor hun rederijkersfeest, maar niet voor het betalen van de door de vorst gevraagde belasting.  

De religieuze motieven hadden betrekking op de inhoud zelf van de spelen. De stukken, opgevoerd door de kamers van Nieuwkerke, Antwerpen, Brussel, Edingen en Deinze kan men als reformatorisch gezind bestempelen en ook uit de meeste andere spreekt innerlijke religieuze verwarring en kritiek op geestelijkheid en kerkelijke praktijken. In 1561 noemde Richard Clough, Engels zaakgelastigde te Antwerpen, de rederijkersspelen in de Nederlanden een “arena van politieke haarkloverij” en “het vehikel voor de verspreiding van nieuwe religieuze opinies”. Daarom werden deze spelen met nog meer strengheid verboden dan de boeken van Luther. 

Embargo op de verspreiding 

Joos Lambrecht, die tussen 1536 en 1553 een van de belangrijkste Gentse boekdrukkers en typografen was, legde de verzen van de refreinwedstrijd van april onmiddellijk op zijn drukpers. Ook de spelen van zinne liet hij al op 31 augustus 1539 in druk verschijnen. Zonder enig probleem passeerden ze de kerkelijke censuur van de Gentse dominicanen. Weldra volgden echter de eerste reacties. Op 6 oktober gaf Adolf van der Noot, kanselier van Brabant, zijn verdict te kennen: spelen vol slechte en verkeerde leerstellingen en misleidingen, helemaal neigend naar de lutherse dwaalleer. Hij raadde landvoogdes Maria van Hongarije aan, de verkoop en de lectuur van het boek te verbieden. Censoren van de Leuvense universiteit plaatsten het op de index en op 10 juni 1540 vaardigde keizer Karel een algemeen embargo uit op de tekst van de Gentse spelen, verbod dat meteen in de Nederlanden werd kenbaar gemaakt. Op 22 september 1540 volgde nog een heus keizerlijk plakkaat met dezelfde inhoud. De belangstelling voor het boek werd er niet minder om. Vrij vlug verschenen drie herdrukken, evenwel onder schijnadressen. Joos Lambrecht zelf – toen al als geloofsvluchteling naar Wezel uitgeweken – verzorgde in 1564 nog een editie in die stad.  

Tanende glans van de rederijkerskamers 

Zeker hebben de Gentse spelen van 1539 voorgoed een odium geworpen op de activiteiten van de rederijkerskamers in de Nederlanden. De waakzaamheid en het toezicht van de overheid werden echter almaar strenger zodat het rederijkersleven geleidelijk zijn vroegere glans verloor.

Alleszins in Vlaanderen was er na 1539 geen sprake meer van nieuwe tornooien. Nog één keer probeerde de Gentse rederijkerskamer Jhesus metter Balsemblomme het. In de lente van 1561 poogde deze kamer nog een concours te organiseren dat op 17 augustus zou aanvangen. In een gespannen sfeer kwam er van diverse instanties verbod. Gent kon bijgevolg deze kans niet meer te baat nemen om te wedijveren met het beroemde landjuweel te Antwerpen, dat wél kon plaatsvinden in dezelfde maand augustus 1561, en dat beschouwd wordt als de allerlaatste samenkomst waarop de rederijkerskamers luisterrijk hun hoog maatschappelijk aanzien hebben kunnen etaleren.

[Johan Decavele]

Over de Gentse spelen van 1539: