Richard Minne op lichtkrant in Gent


De Gentse dichter Richard Minne (1891-1965) was ook prozaschrijver en journalist voor de socialistische krant Vooruit. Zijn belangrijkste boekpublicaties zijn In den zoeten inval (gedichten, 1927), Heineke Vos en zijn biograaf (proza, 1933) en de door zijn vrienden Raymond Herreman en Maurice Roelants samengestelde bundel Wolfijzers en schietgeweren (1942), waarvoor hij in 1946 de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Romans en Verhalend proza won.
Lange tijd was het stil omtrent Richard Minne, maar na de millenniumwisseling viel een revival te noteren van zijn bescheiden oeuvre: Marco Daane publiceerde in 2001 een omvangrijke biografie van Minne onder de titel De vrijheid nog veroveren bij De Arbeiderspers; UGent-professor Yves T’Sjoen bezorgde in oktober 2006 de uitgave van Minnes Verzameld Werk bij Van Oorschot, Amsterdam, zodat althans twee belangrijke bronnen voor verdere studie beschikbaar kwamen. 


Minne was een dwarsligger, onderschatte zijn eigen werk en hoopte ergens “welkom te zijn als een hond in een kegelspel”. In Richard Minne, Gentenaar in Latem (2015) bezorgde T’Sjoen ook een herdruk van Minnes “Aanteekeningen van een Gentenaar" (eerste druk in 1939 in een verzamelbundel van Emmanuel de Bom, Vlaanderen o welig huis, later quasi onvindbaar geworden). Minne trekt daarin de lezer bij de mouw, om hem aan te sporen hem te volgen op een wandeling door het avondlijke en dreigende Gent, waar “altijd iets van op uw schouders blijft hangen”. En “ge moet iedere straat, ieder huis in u hebben”, ook als “ge in 2438 te Moekden of Canberra uitstapt”.


De openingsregel van Richard Minnes bekende gedicht “Gent” lijkt meteen een verheerlijking in te zetten van zijn geboortestad, maar ook daar is niets minder waar. “Ironie, humor en opstandigheid zijn de kenmerken van Minnes oeuvre,” lichtte Schepen van Cultuur Sami Sougir bij de bekendmaking van de lichtkrant toe.
Gent heeft volgens Minnes historische eufemisme “het een en ’t ander meegemaakt”, er zitten veel “wiskesvliegers” onder de Gentse dichters, er is veel “façade”: “Daar zit ge Gent, onder die dwaze winden.” Toch besluit Minne zijn gedicht hoopvol: “Wie dieper delft zal ’t erts wel vinden.” Sinds kort is dus ook de volledige tekst van het gedicht op een lichtkrant in de Gentse Overpoortstraat te lezen.

Lees meer over Richard Minne, De Brieven van Pierken (met tekeningen van Frits van den Berghe), en het satirische weekblad Koekoek in het Lexicon/Auteurs/Minne,Richard op deze website Literair Gent,
en details over publicaties van en over Richard Minne bij Schrijversgewijs.be en op bibliotheek.be


(
hieronder: "Gent, kop en hart" als poëzieposter, 2010, privé-collectie)