terug naar index
Bij de begrafenis van Maeterlincks moeder

Gisterochtend, is, in de buurt van Gent, Maeterlincks moeder begraven.
In de ruime Sint Anna-kerk, waar, volgens traditioneel gebruik bij voorname families, tarwestro over de kerkvloer lag gespreid, waren veel mensen de plechtigheid komen bijwonen. Wellicht meer speciaal ter ere van Maeterlincks jongere broeder, die een welbekende en sympathieke sportman is, verschenen talrijke leden van Automobile Club en Aéro Club; maar wie vooral voor Maurice, voor de grote Maeterlinck kwamen, die kon men gemakkelijk tellen. Ik zag één schilder: Emile Claus; één journalist, correspondent van Figaro, één kunstcriticus, en, als ik mij even in iets blinkends spiegelde, één letterkundige: mijzelf!

Waar bleven de intellectuelen en artiesten! Waar waren de talrijke bekenden uit Gent, uit Brussel, uit Antwerpen, uit Luik? Was het dan niets: de moeder van een der roemrijkste zonen van Vlaanderen die begraven werd; de moeder van één, die zijn klein land groot en wereldberoemd heeft gemaakt? Heeft de geschiedenis niet met eerbied en veneratie de namen van Rembrandts moeder, van Rubens’ moeder, van zovele moeders van beroemde mannen onthouden?

Als een vreemde bij dat alles, als ’t ware in verre, afwezige gedachten, stond Maeterlinck in ’t zacht geknetter van de waskaarsen ‘dans la lumière odorante de nos derniers autels’ gelijk hij het zo aangrijpend in La vie des Abeilles heeft beschreven, naast de lijkbaar van zijn geliefde oude moeder. Zag hij wie daar was en wie daar niet was en had moeten zijn? Strak en roerloos staarde hij vóór zich uit, het sterk afgetekende gezicht geelbruin onder de sluike, grijzende haren, de bleke, diepe ogen vol van mijmeringen. Blijkbaar zag hij niemand en zweefden zijn gedachten en gevoelens, weggedragen door de indrukwekkende tonen van het orgel en de plechtige gezangen, ver van ons allen af.

Als een automaat heeft hij het lijk van zijn moeder gevolgd, toen het uit de kerk werd weggedragen. Naast de biechtvader is hij in ’t eerste rijtuig gestegen, en de lijkstoet, zonder kransen noch bloemen, heeft, als een alledaagse, onbelangrijke gebeurtenis, de ganse grote, drukke stad doorkruist, op ’t ogenblik dat duizenden arbeiders uit de fabrieken kwamen. Een even afgenomen hoed of pet hier en daar, een nieuwsgierige blik van een of andere winkeljuffer of werkvrouw op haar drempel; straten en pleinen, en nóg straten en pleinen vol alledaagse sleur en onverschilligheid, en eindelijk het open veld met zijn zandig-blonde wegen, tussen de wijdgolvende, groene korenakkers, vol rode en blauwe en paarse en witte bloemen.

Dáár staat het ouderwets, grijs-en-roze, zo innig-lief kerkje van Wondelgem, midden in zijn ‘dries’ van hoge, lommerrijke bomen, als een kasteeltje in een lusttuin. Op het bloeiend kerkhofje heeft de grafmaker het gras gemaaid en tot kleine, zoet-geurende hooibergjes verzameld.

De lijkstoet en de rijtuigen staan onder de hoge bomen stil. Zon- en schaduwvlekjes spelen op het gras, door het zacht heen en weer wemelend lover. In staatsiegewaad, plechtig zingend, met kruis en vanen, komen pastoors en kerkbedienden het lijk tegemoet. Op het torentje luidt droef de doodsklok.

Kort is de dienst, schaars zijn de aanwezigen – een vijftiental – die tot daar zijn meegekomen. Enkele dorpelingen vertonen wonderbare typen: typen van oermensen, van woudbewoners, of van foltergezichten, als ’t ware levend uit de lijst genomen van een nachtmerrie-achtig Hieronymus-Bosch-schilderij. Kleine kinderen verdringen elkaar om de gesloten hekken, handen en hoofden tegen de ijzeren staven gedrukt, als apen in een kooi.

De grafkelder gaapt, dichtbij de rechter zijmuur van het kerkje. De dragers tillen de kist van de berrie en zetten die op de zware touwen neer. In doodse stilte wordt zij neergelaten. Men hoort niets dan het gezang der vogeltjes in de hoge bomen. Een man kruipt even in de kelder, schikt de kist op haar plaats, naast twee andere, verkleurde en beschimmelde kisten, die er reeds jaren staan. De ceremoniemeester neemt zijn steek af en buigt, om te beduiden dat het afgelopen is. Een korte wijle blijft Maeterlinck, als in versteende roerloosheid staren. Geen zichtbare emotie verwringt de trekken van zijn bleek gelaat. Hij kijkt…hij kijkt met starre, diepe ogen naar de plaats waar, naast zijn jong-gestorven broeder en zijn vader, nu ook zijn moeder is komen rusten en waar wellicht ook zijn plaats in de toekomst reeds beschikt is.
Dan keert hij zich langzaam om, en, met afwezige ogen, die niets van de omgevende werkelijkheid schijnen te zien, keert hij machinaal naar zijn rijtuig terug.
Wij volgen hem, in eerbiedige stilte…

Afsnee, 16 juni 1911.

Uit:

Cyriel Buysse: Verspreide stukken, in: Verzameld werk (1974-1982), dl. 7 (1982), p. 325-327




Vind dit boek in de bibliotheek Gent