terug naar index
De vrouw en de uitlegster
DE UITLEGSTER  Ze is heel vroeg opgestaan.
Anders staat ze zo vroeg niet op.
Ze heeft haar aangekleed – helegans.
Niet haar schoenen. Voor hare man. Hij sliep nog.
En ’t was nog donker. Ja.
Ze ging naar de keuken om water te drinken.
Anders doet ze dat nooit. Nee.
Ze passeerde langs de tafel.
Ze heeft de schuif opengedaan en ’t patattenmeske gepakt.
Dat wist ze al in bed: Ik ga opstaan. Mij aankleden.
Ze wist nog niet of ze ging buitengaan.
Dat was met die tafel te zien en de schuif open te doen, dat ze op ’t gedacht kwam.
Ge wist nog niet dat ge naar buiten zou gaan, hein?
Dat wist ge nog niet, hein?
(De vrouw schudt van nee.)
DE UITLEGSTER  Dat wist ze nog niet.
’t Is misschien niet nodig dat ik het zeg, maar dat meske is het soort meske dat hare nonkel nog gekolporteerd heeft – nonkel Gilbert.
Lang geleden was dat modern – dat meske.
Met die tandjes lijk een zaag altijd scherp.
Toen was dat nieuw.
Die meskes van vroeger, daar moest ge mee naar de scharensliep.
Met die nieuwe meskes zaten er veel scharenslijpers zonder werk.
Ze heeft die gedachte altijd als ze dat meske vastpakt.
Dan begint ze altijd te peinzen aan de scharenslijpers.
Dat ze allemaal opeens een ander beroep moesten leren.
Wat was dat nu weer, wat gij vroeg aan uwe nonkel Gilbert?
Dat met die houtwormen.
DE VROUW  Hoe dat die ademen?
DE UITLEGSTER  Hoe die ademen?
DE VROUW  Als die altijd dieper en dieper boren, dan krijgen ze minder en minder lucht – hoe dat die dan nog kunnen ademen?
DE UITLEGSTER  En wat zei hij?
DE VROUW  Dat ze dat gewend waren.
De geur.
DE UITLEGSTER  De geur.
Het was met dat meske in haar handen te staan, dat ze ineens midden in de geuren stond. Het bleekwater.
Vroeger kuiste ze elke week de kattenbakken uit met bleekwater.
Bij haren eerste echtgenoot. En ook zijn duivenkoten.
Hij hield duiven.
DE VROUW  De zure pis.
DE UITLEGSTER  Ja. Welke geur nog?
DE VROUW  Bed.
DE UITLEGSTER  De geur van het bed, van de lakens die de lijfgeur opnemen.
DE VROUW  Waarom noemt men geur geur en stank stank?
En waarom noemt men stank gene geur en geur gene stank?
Dat vroeg ik mij af.
DE UITLEGSTER  De geur van melk en van speeksel.
Van de kinderen toen ze nog klein waren.
De geur van patatten. De geur van haar. Van afgedragen kleren.
Van huiszwam die naar ammoniak riekt.
Zo is ze op het gedacht gekomen naar het Fonteineplein te gaan.
Te voet met dat meske in haar hand.
Ze had ne krop in haar keel.
Elk moment ging ze door den trottoir zinken.
Tegel voor tegel. En alles zag ze in mist. Grote stofwolken.
Lijk ze overal huizen aan het afbreken waren. Zo.
Niemand zei iets? Ge hebt niemand tegengekomen?
DE VROUW  Nee.
DE UITLEGSTER  Ze wandelde door haar vroeger leven.
Tot aan de voordeur van haar huis.
De vuile groene deur. Ze was op slot.
Ze was hier binnengegaan als ze getrouwd was.
En buitengegaan als ze de tweede keer trouwde.
Ze wilde naar boven gaan. Naar het appartement.
Op het vierde verdiep. Naar haar dak.
Ze kon niet binnen.
Dat huis staat al jaren gereed om af te smijten.
Ze had een kniptang moeten meenemen om het slot te forceren.
DE VROUW  Ik heb geklopt.
DE UITLEGSTER  Ze heeft op de deur geklopt.
En toen op de muur. Wat veel zeer deed.
Dan heeft ze daar een kwartier gestaan, zegt ze, en heeft hare naam met dat meske in de deur gekrast, en heeft ze gekrijst alsof dat haar leven er vanaf hing.
En door dat krijsen schoot er precies lijk een stopsel af.
“Het begon te waaien in mij.”
DE VROUW  Het begon te waaien in mij.
DE UITLEGSTER  Haar leven, haar jeugd.
DE VROUW  Dat alleen zijn, de eenzaamheid.
De eenzaamheid viel weg.
DE UITLEGSTER  Er is een oude heer bij haar komen staan: “Voelt ge u niet goed?”
DE VROUW  ’t Is al over.
DE UITLEGSTER  “Dankuwel”, zei ze.
DE VROUW  Dankuwel.
DE UITLEGSTER  Dankuwel.
DE VROUW  Dankuwel, dankuwel, dankuwel, dankuwel.
DE UITLEGSTER  De hele weg door naar huis, tegen alles en iedereen: Dankuwel.
DE VROUW  Die houtwormen, hein, gaan niet van buiten naar binnen, maar van binnen naar buiten, en als ze hun kopkes door ’t ronde gaatje naar buiten steken, zien ze wat voor stommiteit ze eigenlijk begaan hebben.
DE UITLEGSTER  Ja.
DE VROUW  Het Fonteineplein.
Vroeger als er grijze lucht was, lag daar precies een deksel op.
DE UITLEGSTER  Dat hebt ge nog nooit verteld.
DE VROUW  Nee.
Een lege doos van oude huizen met de hemel als deksel.
Het kan ook zijn dat de lucht heel blauw was die dag, maar dat deksel was er af.
DE UITLEGSTER  Ze is naar huis gelopen.
Hare man stond met zijne neus tegen de ruit:
“Wat is er met u?”
Hij was plots wakker geworden.
En hij had haar niet meer naast hem gezien.
Ze heeft hem gezegd dat ze wakker geworden was, dat ze niet meer kon slapen, en dat ze naar buiten wilde.
DE VROUW  Dat ik frisse lucht wilde.
Ik zei hem: “Doet iets aan uw voeten.”
DE UITLEGSTER  En ze zijn in bed gekropen.
DE VROUW  Mijne man lag te rillen met zijne rug naar mij.
Ik schoof mijnen arm over hem en legde hem over zijn borst.
Ik strengelde mijn benen met zijn benen en mijn voeten met zijn voeten.
Hij had het nog altijd koud.
DE UITLEGSTER  Ze heeft zijn broek losgemaakt. En ze hoorde hem ademen.
DE VROUW  Ik legde mijn kaak tegen zijn ribben.
Het was één en al leven: zijn hart, zijn longen, zijne lever.
DE UITLEGSTER  Alles vol leven en bloed.
Ze heeft over zijnen buik gewreven.
DE VROUW  Gij moogt nooit doodgaan.
Ik wilde hem dat zeggen. En al de rest in mijn hoofd.
Dingen die ge zo direct niet kunt vertellen.
DE UITLEGSTER  Ze zei niets.
En voordat ze in slaap viel met zijne hand op zijnen buik, vond ze zijne navel.
DE VROUW  Ik heb er mijne vinger ingestoken om hem dicht te houden. Dat er niets van hem kon ontsnappen.
Dat er geen boze heksen hem er via zijne navel zouden kunnen uitzuigen en hem van mij afpakken.
DE UITLEGSTER  En zo zijn ze in slaap gevallen.
Als twee engelen Gods.
DE VROUW  Hij tot acht uur en ik tot den twaalven.
DE UITLEGSTER  Kontent?
DE VROUW Kontent.
Uit:

Arne Sierens : Dozen (1993), in : Sierens en co (2000), p. 46-50



Vind dit boek in de bibliotheek Gent