terug naar index
LAAT ONS DE LEIE! 

Sinds enige tijd verspreidt zich een gerucht in Vlaanderen, een treurig gerucht, waaraan velen niet willen noch kunnen geloven, maar dat integendeel, bij heel veel anderen, die op soortgelijk gebied reeds meer dan één droevige ervaring hebben opgedaan, grote onrust en kwelling verwekt.
Er wordt gezegd en beweerd, dat men van plan is, in de buurt van Gent, de Leie recht te trekken! 
Voor de oningewijde klinkt dit bericht op zichzelf niet zo erg. Wat wordt er al niet gekanaliseerd, genivelleerd, gerectificeerd? Maar hier geldt het de Leie, en voor wie de bekoorlijke poëzie van deze allerliefste van onze Vlaamse rivieren kent, luidt het als een heiligschennend doodsvonnis. 
Ik spreek niet alleen in de naam van het handjevol dichters, schilders, schrijvers en dromers, die hier, met welke diepe gehechtheid en innige liefde! langs de poëtische oevers van de zacht-kronkelende Leie werken en leven. Ik geef het toe: wij zijn dwepers, zoekers, onpraktische mensen; maar ik spreek ook en vooral in name van duizenden en duizenden, die 's zondags, of bij elke feest- of vakantie-gelegenheid, de grote, drukke, vermoeiende fabrieksstad die Gent is, ontvluchten, om langs de bekoorlijke Leie het natuurschoon te genieten en de gezonde, verkwikkende buitenlucht in te ademen. 
Die mensen hebben de tijd noch de middelen om 's zomers, voor weken of maanden, de benauwende stad te verlaten. Die zijn het ganse jaar gebonden en kunnen alleen korte uitstapjes van enkele uren, of hoogstens van één dag, ondernemen. 
Laat hun de Leie, 't is bijna 't enig hoekje frisse natuurpoëzie dat zij hier in de buurt nog hebben. 
Er is beweerd: de koers van de Leie moet rechtgetrokken worden om de scheepvaart te vergemakkelijken. Maar ik weet heel goed, en zo weet ook iedere bewoner van de Leie-oevers, dat er op die stille rivier nagenoeg geen scheepvaart bestaat, vooral 's zomers niet, wanneer de sluizen van Astene [Deinze] dicht moeten blijven, om te beletten dat het vuil, uit Frankrijk komend water, de stad Gent zou ontreinigen. 
Verder is er nog beweerd, dat de Leie moet rechtgetrokken worden, om het gevaar van overstroming te voorkomen; en dat argument houdt al evenmin steek als het eerste, want: onze lieve Leie kronkelt nu al zoveel lange jaren tussen haar schone, vreedzame oevers: en wie herinnert zich dat zij ooit die grote verwoestingen, waarmee men ons bedreigt, heeft aangericht! 
Ach, heren ingenieurs, knappe mannen van bruggen, en sporen, en wegen; mannen van praktische vooruitgang en vernuftige, mechanische ontdekkingen; gelooft mij, ik heb de oprechtste waardering voor uw kunde, en iedere nieuwe uitvinding of ontdekking op mechanisch gebied verwekt terstond mijn hoogste bewondering; maar, wat ik u bidden mag, laat ook toch nog iets van het oude bestaan, daar waar het niet noodzakelijk door 't nieuwe moet vervangen worden! Zeer zeker: een brug kan een kunstwerk zijn, en ook een spoor, en ook een weg, en zelfs de droevig-rechte, strakke lijn van een kanaal; maar de Leie, mijne heren, die lieve, kalme, zo vreedzaam tussen haar schone, malse, groene oevers kronkelende Leie; de Leie die [Emile] Verhaeren heeft bezongen, de Leie die [Emile] Claus heeft geschilderd, de Leie aan wier oevers Peter Benoit zijn eerste inspiraties heeft gevoeld, die Leie is poëzie, mijne heren, en laat ons toch dat beetje poëzie, midden in zoveel knappe, maar o, soms zo harde en dure werkelijkheid. 
Ik verzeker het u: geen mens vreest het gevaar, dat gij ons als een schrikbeeld voorspiegelt. Wij kennen onze Leie, en zijn er helemaal niet bang voor; en de schippers, de zo zeldzame vrachtschippers, die hier kalmweg en lustig zingend langs komen varen, zullen het u heus niet kwalijk nemen, als zij er een uurtje langer over doen, om van Deinze tot Gent te komen. Nog eens, ik smeek u, in naam van allen : Laat ons de Leie!

--------------------------------------------------------------------------------

Cyriel Buysse: Verspreide stukken: Laat ons de Leie!, in: Verzameld werk, dl. 7 (1982), p. 312-313; voor het eerst gepubliceerd in: Vlaamsche Gazet van Brussel, jg. X, nr. 300 (27.10.1909)