terug naar index
Mijn tante Virginie LOVELING

Telkens wanneer ik de boeken van V[irginie] Loveling lees en herlees, is 't mij te moede alsof ik, in voortdurende verrukking, wandelde midden in een reeds ietwat verwijderd land van allerliefste en allerinnigste bekoring. Het Vlaanderen dat zij beschrijft, de toestanden die zij erin ontleedt en de personen die zich daar bewegen, het zijn meestal de toestanden en de personen, het is het mooie Vlaanderen van zowat een kwart eeuw geleden. (...)

Nevele, haar geboortedorp, lag in die tijd nog zonder enige praktische verbinding met het grote stadsverkeer. Er was geen spoor, — die is er nog niet, — er lag geen stoomtram, — die is er pas gekomen — er waren geen rijwielen noch automobielen; de enige aanraking met de buitenwereld was een aller-afschuwelijkste postkar, een oorverdovend schok-en-rateltuig, een echte middeleeuwse ‘coach’ gelijk de Deadwood-coach van Buffalo Bill, die drie- of viermaal daags haar schaarse passagiers naar en van het verafgelegen, kleine, landelijke spoorwegstation bracht. Brak er onderweg iets aan de postkar, lag het dorp ’s winters ingesneeuwd met ontoegankelijke wegen, dan was meteen ook alle gemeenschap met de verdere wereld afgebroken en men kon zich in een woestijnoase of op een eiland wanen.

In dat dorp, dat anders toch een groot en schoon dorp was, met een talrijke bevolking, heeft Virginie Loveling meer dan veertig jaren van haar leven doorgebracht. Al de mensen kende zij er — en allen kenden haar; maar niemand vermoedde, zelfs in de verste verte niet, waaraan zij, en haar zuster Rosalie, hun leven besteedden. Zij kon er gans gerust haar typen (en hoe typisch waren zij, in dat van alles afgezonderd oord) bestuderen, ze konterfeiten naar het leven en ontleden in hun ziel, zonder er ooit door iemand in haar werk gestoord te worden. Haar boeken zijn dan ook vol van die typen en indrukken, ontleed met een waarheid, een fijnheid en een diepte van gevoel, die ze voor eeuwig fris en levend houdt. (…)
Een onuitsprekelijke `charme' doorademt al die werken, en telkens weer denkt men met weemoed: hoe jammer dat al dat pittoreske en toch zo innig-ware niet altijd kan blijven duren. Trouwens Virginie Loveling heeft haar kunst niet beperkt tot loutere belangstelling voor de minderen van stand onder de plattelandsbevolking. Wel integendeel. Haar werk is synthetisch, omvat het gehele Vlaamse leven. Een aantal van haar romans — misschien wel de meeste — zijn genomen in de betere standen, voornamelijk in de kringen van de gegoede burgerij, waaruit zijzelf afstamt. En ook daar is de ontleding telkens van een raakheid en het gevoel van een fijnheid, die voortdurend bewondering wekken. Als eenzame waarneemster voelt men haar daar staan, eenzaam zowel in haar eigen milieu als in de omgeving van de minderen, eenzaam in de nooit-uitgedrukte, maar aldoor gevoelde voornaamheid van haar intellectuele beschaving en verfijning, die telkens weer aanstoot krijgt door het omringend leven. Zij staat alleen, en ziet en voelt, en in haar boeken voelen de vrouwen uit haar stand dikwijls haar eigen heimweeïg leed en haar stilweemoedige verzuchting mee. Nooit zit zij gans onbevangen mee aan tafel, voor het gastmaal waaraan de anderen zich te goed mogen doen. Zij zou wel willen, zij glimlacht sympathiek me de anderen mee, zij benijdt soms het geluk van algehele overgave om zich heen; maar zij kan niet, zij staat er toch altijd enigszins buiten, omdat zij dat alles objectief blijft beschouwen, omdat het haar mooie zending op de wereld is met ongekende knapheid te analyseren en voor eigen genot daaruit alleen te kiezen het soms zo bescheiden deeltje, dat haar dan ook werkelijk dienen en als een kind gelukkig maken kan. 

[door Buysse geschreven n.a.v. de Loveling-viering op 28.04.1912, LG-redactie]


--------------------------------------------------------------------------------

Cyriel Buysse: Kritische bijdragen: Virginie Loveling, in: Verzameld werk, dl. 7 (1982), p. 198-202 (fragment p. 200-202)