De stad was vol vreuchden in alder manieren / Men sach de straten behanghen, de husen versieren, / (...) / De straten laghen vol groote vieren

Lieven Bautken (1500)

Terug naar index

MAHIEU DE GAND

(Gent (?), 13de-eeuw - ?)

In de 12de en de 13de eeuwen waren de trouvères in het Noorden van Frankrijk rondtrekkende edellieden, avonturiers maar ook schrijvers van ridderpoëzie die hun hoofse teksten – waarin zij meestal de liefde bezongen – in de volkstaal schreven, ze zelf op muziek zetten en vaak ook nog zelf zongen. Zij worden beschouwd als de opvolgers van de troubadours uit het zuiden van Frankrijk, die literair als belangrijker worden beschouwd.

De trouvères voerden hun gedichten op in hogere kringen, als gezelschapsspelen. Het waren meestal gesprekken tussen twee opponenten die poëtisch debatteerden over een vooraf gesteld probleem van hoofse liefde. Een eerste strofe situeeerde het dilemma (bv. “komt men als minnaar beter vóór of na een andere minnaar?” of “draagt verliefd-zijn al dan niet bij tot ’s mans gemoedsrust?”). Daarna verdedigde elk van de twee opponenten zijn stelling. Een derde persoon velde dan meestal een eindoordeel en duidde de winnaar van het debat aan. Vooral de verwoording van de argumenten was daarbij belangrijk.

Mahieu (of Mathieu) de Gand was één van deze trouvères. Zijn naam is een aanduiding dat hij uit Gent afkomstig (mogelijk zelfs geboren Gentenaar) was. Arthur Dinaux wijst er echter op dat er in de 14de eeuw ook een Mahieu de Gand voorkwam in Doornik. Dat hij ook wel eens “li clerc” werd genoemd, doet veronderstellen dat hij clericus was.
Zijn naam als dichter is vooral verbonden met de dertiende-eeuwse literaire “salons” van het Noord-Franse Arras. Naast talrijke bekende trouvères (o.m. Chrétien de Troyes en Thibaut de Champagne) wordt Mahieu over het algemeen beschouwd als een tweedeplansdichter uit de 13de eeuw.
Van zijn vele liefdesgedichten zijn er slechts enkele in handschrift (soms gekopieerd) bewaard gebleven. Zes van zijn liederen kan men lezen in het overzicht van Arthur Dinaux.

[Frans Heymans]

Over Mahieu de Gand:

  • Arthur Dinaux: Les trouvères de la Flandre et du Tournaisis. T. II: Trouvères, jongleurs et ménestrels du Nord de la France et du midi de la Belgique (1839), p. 297-308. Over M. de Gand
  • Sophie Adam: Jeu-parti XIV: Adan, liquels doit miex trouver merchi, zie internet: http://www.chez.com/littmedievale/Lm045.htm. Over de debatpoëzie in het algemeen en Adam de la Halle in het bijzonder
  • Henric Prebensen: Aperçu de Ancien Français 7: la poésie française de langue d’oïl, XIIe s. (1). zie internet http://www.staff.hum.ku.dk/hp/apercu/apercu7_00.htm en 8: La poésie française de langue d’ oïl, XIIe s. (2) zie internet http://www.staff.hum.ku.dk/hp/apercu/apercu8_00.htm. Beide delen over de poëzie van de trouvères in het algemeen