11 September [1914]. Op straat durf ik het [dagblad] niet te ontplooien (…) Dat ik het op zak heb, is voor mij het bewijs dat Gent niet is ingenomen.

Karel van de Woestijne (1914)

Terug naar index

OPPERMAN, DIEDERIK JOHANNES

(Dundee/Natal, Zuid-Afrika, 29.09.1914 - Stellenbosch, Zuid-Afrika, 22.09.1985)

Een van Zuid-Afrika’s bekendste en meest bekroonde dichters, ook auteur van toneel en essays. Door zijn sombere toekomstvisie op de apartheid in zijn land ook wel de “belangrijkste Afrikaanse tragicus” genoemd. Zijn in 1963 verschenen satirische gedicht “Vloervelletjie” is een spitsvondige omzetting van het Reinaertverhaal naar de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid.

Diederik Johannes (Dirk) Opperman groeide op in Dundee, Estcourt en Vryheid (Zuid-Afrika) in een niet erg bemiddeld plattelandsgezin, tussen Zulu-kinderen. Na studies aan de Universiteit van Natal werd hij leraar in Pietermaritzburg en Johannesburg. Later was hij hoogleraar Afrikaans en Nederlands in Kaapstad − waar hij de befaamde Breyten Breytenbach als student had − en in Stellenbosch. Hij was uitgever van het tijdschrift Die Huisgenoot, van de krant Standpunte (1950-1955) en was werkzaam bij uitgeverij Human & Rousseau.

Opperman begon poëzie te schrijven op de middelbare school en publiceerde in 1934 ook al zijn eerste verhaal in Die Huisgenoot. Gedichten over de Black Umfolozi-regio waar hij opgroeide, werden gepubliceerd in het Natal University College Magazine, columns en recensies van literatuur en kunst in Die Natalse Afrikaner.
Na zijn officiële poëziedebuut Heilige beeste (1945) volgden een tiental opgemerkte poëziepublicaties, waaronder de bestseller Komas uit ’n bamboesstok, geschreven na herstel van een aanslepende ziekte. In zijn poëzie zette hij zich af tegen het estheticisme van de vorige generatie en betrok het lot van Zuid-Afrika en de wereldgeschiedenis in zijn concrete, maar tegelijk erg sensitieve en soms surreële en kosmische verzen. In 1949 verscheen zijn Joernaal van Jorik, een allegorisch verhaal over de moderne Afrikaan, dat ook de geschiedenis van de jonge natie vertelde. Ovidius’ Metamorfosen inspireerden de dichtbundel Engel uit die klip (1950).

Daarnaast begon hij midden de jaren 1950 ook berijmde toneelteksten te schrijven, o.a. het tweemaal bekroonde, klassieke drama Periandros van Korinthe (1954) en het historisch gekleurde Voëlvry (1968). Zijn verzamelde essays verschenen in de bundelingen Wiggelstok, Naaldekoker en Verspreide opstelle. Ook stelde hij diverse bloemlezingen van Afrikaanse poëzie samen, waaronder de belangrijke Digters van Dertig (1953). Hij voelde zich in Zuid-Afrika verwant met de dichteres Elisabeth Eybers en knoopte ook nauwe vriendschapsbanden aan met de Nederlandse criticus Jan Greshoff.

Opperman worstelde met de apartheidswetten. Identiteit en verlossing werden daardoor nieuwe thema’s in zijn werk en leidden tot het succesvolle “Kroniek van Kristien” (in Blom en Baaierd, 1956). Door de sombere toon en donkere toekomstvisie in zijn late poëzie is hij wel eens de “belangrijkste Afrikaanse tragicus” genoemd. In 1956-1957 reisde hij nog door Europa en startte daarna een vernieuwende universitaire schrijfleerschool, die bezocht werd door de wereldwijd bekende Marlene van Niekerk.

Zijn poëzie werd viermaal bekroond met de Hertzog prize for poetry van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenschap en Kuns (tussen 1947 en 1980), met de W.A. Hofmeyr Prize, de Central News Agency Prize en de Louis Luyt-prize 1980. Voor zijn literaire kritieken ontving hij in 1985 de Gustav Preller prize. Naast een ereteken van de president, ontving hij ook talloze eredoctoraten. Gedichten van Opperman werden door de Zuid-Afrikaanse componist Cromwell Everson getoonzet.

Diederik Johannes Opperman en Gent

Opperman was van 1971 tot zijn dood ‘buitenlands erelid’ van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent.
Hij schreef in 1963 het Afrikaanse hekeldicht “Vloervelletjie”, geïnspireerd door het middelnederlandse Reinaertepos. Het gedicht verscheen in zijn dichtbundel Dolosse (1963, Ndl. Bikkels).
Opperman verplaatste de Reinaerthistorie van de Nederlanden naar de Karoo-steppe en het goudrijke Witwatersrand in Zuid-Afrika, en verwerkte er de problematiek van de Zuid-Afrikaanse apartheid in: “ons saak te stel,/ toe tussen Gent en Naarden”. De directe aanleiding voor het gedicht “Vloervelletjie” was het rode vel van een jakhals, dat Opperman ergens aantrof in het Nederlandse Otterloo (Hoge Veluwe, Nederland) en onmiddellijk associeerde met het vossenvel van Reinaert.
Verschuivingen in figuren en locaties, in culturele processen en betekenissen, literaire en historische verwijzingen transfigureren het epos tot een universele en tijdeloze vertelling: “swartman” staat er tegenover “witman”, onderdrukte tegenover onderdrukker, beschermer van waarden tegenover vernietiger ervan. Toch blijft de oorspronkelijke Reinaertbron overal doorschemeren, zo bijvoorbeeld de vermelding van het toponiem Gent en het mysterieuze Kriekeput (“se goud en diamante”), de dubbelzinnige houding van “die dietse das” Grimbeert, de talloze “rooi reinaerdes” die koning Nobel om de tuin leiden. Daardoorheen weeft Opperman de tragiek van zijn land door van het personage van de vos Reinaert een personificatie te maken van Zuid-Afrika zelf: door de hele wereld vogelvrij verklaard, maar zich verdedigend met de rijkdom van zijn “burcht” (goud-, diamant- en uraniummijnen). Het gedicht is in elk geval een verrassende en spitsvondige omzetting, vol onverwachte woordspelingen.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over Diederik Johannes Opperman:

  • C. de Jong: Een Afrikaner satire op de vijanden van Reinaert de Vos, in: Nieuws uit Zuid-Afrika, (01.10.1966), p. 9-10. Bevat ook de volledige tekst van “Vloervelletjie”, oorspronkelijk verschenen in D.J. Opperman: Dolosse (1963), p. 15-18
  • Willy E. Hegman: D.J. Oppermans ‘interpretatieve ontginning’ van Middelnederlandse gedichten (lezing voor de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 09.10.1966), in: Spiegel der Letteren, jrg. 10 (1966-1967), p. 16-28 (vooral p. 17-19), zie ook op internet: dbnl.org/tekst/_spi007196601_01.php
  • [Anoniem]: Opperman, Diederik Johannes, in: Raoul C. van Caenegem (et al.): Grote Winkler Prins Encyclopedie in 25 delen, 8ste dr., dl. 17 (1982), p. 215
  • [Anoniem]: Opperman, Diederik Johannes, in: Elizabeth J. Verwey (red.): New Dictionary of South African Biography, dl. 1 (1995), p. 210-215, zie op books.google.be/books
  • Uitgebreide bio- en bibliografie in het Afrikaans op wikipedia: af.wikipedia.org/wiki/D.J._Opperman